Willem Ceuleers

 

De klarinet

een eigenzinnige kijk op haar levenswandel

 

Eind mei stootte ik op Youtube toevallig op een opname van een concerto voor chalumeau van Johann Friedrich Fasch (1688-1758), tijdgenoot van Bach, H�ndel en Vivaldi. Kennelijk zijn er tegenwoordig musici die zich zo intensief op dat instrument hebben toegelegd dat ze er zonder problemen op kunnen spelen. De opname klonk dan ook prachtig en ik stuurde ze door naar Erik Switsers met de vraag ze te willen doorsturen naar de andere klarinettisten van ons orkest. Prompt kreeg ik een enthousiast antwoord met het voorstel om over de chalumeau eens een artikel te schrijven, en als ik daartoe de aandrang zou voelen een vervolgverhaal in afleveringen over de klarinet. Voor wie niet wist wat een chalumeau is: dat is de directe voorloper van de klarinet, en hier is ze te horen:

 http://www.youtube.com/watch?v=Ll8HS2NH2PA

 

   

Inleiding

 Blaasinstrumenten werken acoustisch allemaal volgens hetzelfde princiepe. De klank ervan wordt gevormd door een trillende luchtkolom in een buis. Er zijn twee manier om die trillingen te veroorzaken. Een eerste is door splitsing van ingeblazen lucht op een scherpe rand, zoals dat het geval is bij dwarsfluit, blokfluit en flageolet. Ook de meeste orgelpijpen brengen hun klank op deze wijze voort. Een tweede manier is door de trilling van een voorwerp over te brengen op de luchtkolom. Hobo, fagot, dulciaan, schalmei, doedelzak, kromhoorn, ranket: alle doen zij dat middels twee op elkaar slaande rieten: het dubbelriet. Ook de koperinstrumenten doen dat zo, maar dan met de lippen van de mond. Zelfs de stem in onze keel, met de twee stembanden, veroorzaakt op dezelfde wijze haar klank.

Harmonium en accordeon geven hun toon middels een doorslaande enkel riet, of hier spreken we eerder van een tong omdat die in metaal wordt uitgevoerd. Die tong wordt gemonteerd in een nauw aanpassend venster en kan doorslaan in beide richtingen. Klarinet, chalumeau en saxofoon maken gebruik van een opslaand riet. Dat riet wordt gemonteerd op een holle, aan het uiteinde enigszins naar achteren gebogen lepel. Ook de meeste tongwerken van het orgel werken met een opslaande tong en zijn reeds sedert de 15de eeuw bekend.

de stevel (houten blok) met de lepel en de tong van een orgelpijp. De windkap omheen dit geheel, evenals de pijp met klankbeker zelf werden hier gedemonteerd om dit gedeelte zichtbaar te maken. De stemkruk (metalen veer) drukt de tong aan en kan met het haakje hoger of lager geklopt worden. Zo kan het vrij trillende gedeelte van de tong langer of korter gemaakt worden om de pijp op stemming te brengen. Daaraan kan je zien dat een riet van de klarinet goed geproportioneerd moet zijn: van goede vorm, dikte, stijfte en tegelijkertijd souplesse om een goede toonkwaliteit en �hoogte te garanderen. De onderlip vervult enigermate de functie van de stemkruk, maar bij een klarinet is dat een veel complexere aangelegenheid � daar kom ik volgende afleveringen nog op terug.

 

op het voorplan een rij tongwerken (vox humana) in gemonteerde vorm. De tong zit omgekeerd in de windkap onderaan ter hoogte van het rooster. De stevel is hier uit metaal.

 

De voorgeschiedenis  

Dubbelrietinstrumenten werden reeds eeuwen vóór de uitvinding van de klarinet professioneel bespeeld. Instrumenten met een enkel doorslaand riet zijn wel te traceren tot zelfs de Egyptische antieke tijd, maar hun klank was schril en slecht te controleren. Daar waren dubbelrietinstrumenten ruimschoots in het voordeel. Via de Middellandse Zee bereikte enkelrietinstrumenten weliswaar de mediterrane landen van Europa, maar het bleef bij eenvoudige volksinstrumenten.

In dat opzicht is het tekenend dat Michael Praetorius (1571-1621) in zijn Syntagma Musicum uit 1619 geen melding maakt van eender welk enkelrietig blaasinstrument. Nochtans munt zijn erg lijvige werk uit in volledigheid. In 1637 wist Marin Mersenne (1588-1648) in zijn Harmonie Universelle nog steeds niets de melden over een dergelijk instrument. Het is werkelijk ondenkbaar dat een instrument van zo'n ongewone bouwwijze ontsnapt zou zijn aan deze scherpe geesten. Er werden ook geen dergelijke instrumenten in Europa, elders dan Italië, overgeleverd. Het is dan ook volstrekt onduidelijk waar de chalumeau rond 1690 zo plots vandaan kwam. Dat instrument had bovendien geen doorslaand, maar een opslaand riet. Iemand moet dus op het idee gekomen zijn om de bouwwijze van tongwerken uit het orgel op het blaasinstrument toe te passen door er een vast, lepelvormig mondstuk op te monteren waarop het enkele riet vastgebonden kon worden.

 

 

Enkele plaatjes uit Syntagma Musicum van Michael Praetorius:

links: dulcianen, midden: kromhoorns, rechts: het titelblad van het hoofdstuk over muziekinstrumenten

 

De chalumeau  

Er wordt nu rekening gehouden met de mogelijkheid dat de uitvinder van de chalumeau Johann Christoph Denner (1655-1707) was. Deze instrumentenmaker uit Nüremberg was heel beroemd voor zijn superieure blokfluiten die hij acoustisch erg verbeterde. Er bestaan nog een hele reeks van zijn blokfluiten en hedendaagse blokfluitbouwers gebruiken die vaak als model voor het maken van hun eigen instrumenten. De tot ons overgeleverde chalumeaus van Denner zien er uitwendig inderdaad als barokblokfluiten uit. Ervaring had wellicht al geleerd dat enkelrieten het beste werken met een wijdere en cylindrische boring. Dubbelrieten zijn het best gediend met een nauwe en conische boring. Nauwte gaat bij de kromhoorn zelfs tot in het extreme: nauwelijks meer dan 4 mm! Groot moet Denners verbazing geweest zijn toen hij merkte dat zijn chalumeau in verhouding tot de lengte van het instrument zo diep klonk, namelijk precies één oktaaf lager dan te verwachten was. Dat komt omdat cylindrische boringen in combinatie met een riet reageren zoals een pijp die aan de onderkant dicht is. De organisten onder ons zullen nu plots een lichtje zien branden, want precies hetzelfde fenomeen doet zich inderdaad voor bij gedekte orgelpijpen.

In de orgelbouw heeft dat enorme voordelen, want zo hoef je voor de diepste tonen maar pijpen van halve lengte te maken. Een pijp van 5 meter die een reële toon van een pijp van 10 meter geeft, dat scheelt in de constructie en de kostprijs van het instrument.

Om de chalumeau in het hoge sopraanregister te doen spreken, moest ze dus met de helft verkort worden, en dat is wat Denner ook deed. Die instrumentjes zijn niet langer dan 25cm.

�������

links: copie van een chalumeau in C van J.C.Denner. Om de lage do# te kunnen spelen, werd het onderste toongaat verdeeld in 2 kleine gaatjes. E�n gaatje afdekken gaf do#, beide gaatjes gaven do hersteld. Deze bouwwijze is gewoon bij barokblokfluiten. Het riet werd met de bovenlip bespeeld (!)

De tonen die dit instrument kan produceren (die van slechte kwaliteit staan tussen haakjes):

c', (cis'),d',e,(f'),fis',g',(gis'),a',(bes'),b',c'',(cis''?),d'',e''

rechts: vooraanzicht en dwarsdoorsnede van het zijaanzicht van een gedekte orgelpijp (bourdon)

 

In tegenstelling tot fluiten zijn dubbelrietinstrumenten zonder hulp moeilijk over te blazen; enkelrietinstrumenten zijn onmogelijk over te blazen. De chalumeau had geen oktaafklep en had daarmee een toonbereik van niet meer dan een deciem. Er zaten 4 vingergaten in het onderstuk en 4 in het bovenstuk, waarvan één voor de duim. Het bovenstuk had bovendien een 5de toongat dat gesloten werd door een klep die bediend werd door de wijsvinger. De gaten waren zodanig geboord dat je het instrument links- of rechtshandig kon bespelen; de beker kon verdraaid worden. De halve tonen konden enkel bereikt worden met vorkgrepen; dwz. door de hoger gelegen hele toon naar onderen te forceren door lager gelegen gaten af te dekken. De klankkwaliteit van deze halve tonen was alles behalve bevredigend om over de intonatie te zwijgen. De chalumeau was dus in eerste instantie een melodisch instrument dat geen enkele modulatie verdroeg. Om in andere toonaarden te spelen, moest men dus op een langer of een korter instrument spelen, dat daarmee een andere basistoon had. Die praktijk is er bij klarinetten zelfs niet volledig uitgegaan, en we zullen later zien dat die in het begin van de 19de eeuw de inzet is geweest van een bittere strijd tussen voor- en tegenstanders van veel kleppen op de klarinet.

Veel nadelen dus aan zo'n chalumeau. Maar hèt attractiepunt was de prachtige klank. Het boventonenspectrum van de chalumeau is heel reik met de kwint, terts, septiem en none als predominante versterkers. Daarmee vergeleken moesten de fluit en de hobo het met hun oktaven en kwinten afleggen. Bovendien maakte het enkele opslaande riet een enorme dynamisch variatie mogelijk waar andere blaasinstrumenten enkel van konden dromen.

We zien chalumeaus dan ook vanaf 1704 al verschijnen in opera- en oratoriumorkesten, in het bijzonder in pastorale scenes. Ik noem slechts Vivaldi's Juditha triumphans uit 1716. En, tot mijn verrassing dus, in het hogergenoemde concerto van Fasch.

Zeker is dat Denner vrij spoedig dokterde op een methode om de tessituur van de chalumeau uit te breiden en hem daarmee in de woorden van de Nürembergse wiskundige Johann Gabriel Doppelmayr (1677-1750) tevens te bestempelen als de uitvinder van de clarinette.

Zo kunnen we met enige stelligheid beweren dat de chalumeau en de klarinet de eerste blaasinstrumenten zijn die werkelijk uitgevonden werden. De saxofoon, de Heckelfoon en verschillende koperinstrumenten zouden pas in de 19de eeuw volgen. De andere blaasinstrumenten die rond 1700 bestonden, waren echter ontstaan door geleidelijke evolutie.

Daarmee kondigde zich door toedoen van de opkomende wetenschap een nieuw tijdperk aan in de instrumentbouwkunde. Zoals we later zullen zien, heeft de klarinet daarvan maximaal kunnen profiteren.

 

juni 2011, Willem Ceuleers

 

Houtsnede door Johann Christoph Weigel (1698)

waarschijnlijk voorstellende J.C.Denner aan een dulciaan werkend